“The righteous mind” (Jonathan Haidt) – Deel 2 – We zijn minder rationeel dan we denken

Dit is het vervolg van deel 1 van deze blog, die een inleiding gaf op het boek.  In dit deel gaan we dieper in op de oorsprong van moraliteit, en de manier waarop “genetisch ingebakken” morele intuïties ons denken vaak veel sterker beïnvloeden dan we zelf beseffen, of willen toegeven.

De oorsprong van moraliteit

In dit hoofdstuk gaat Haidt op zoek naar de genealogie van moraliteit, niet enkel aan de hand van een overzicht van de belangrijkste wetenschappelijke mijlpalen in de ontwikkeling van de morele psychologie als niche wetenschap in de laatste veertig jaar (o.a. door geregelde uitweidingen naar de psychologie, antropologie en sociologie), maar ook hoe zijn eigen inzichten rond moraliteit in de loop der jaren zijn geëvolueerd.  Dit leidt tot een stapsgewijze, chronologische opbouw, die het boek sowieso erg makkelijk om volgen maakt eerder dan een academisch naslagwerk.   Kort samengevat is moraliteit deels evolutionair bepaald (aangeboren, zeg maar), maar ook deels cultureel bepaald (aangeleerd).

Haidt deed ook onderzoek naar moraliteit in andere culturen, o.a. in India en Brazilië, en vergeleek de resultaten van deze “antropologische” onderzoekingen (bvb. op basis van uitgekiende vragenlijsten) uitgebreid met de resultaten van dezelfde onderzoeken in zogenaamde “WEIRD” culturen zoals de USA, Europa, … (WEIRD staat voor Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic en is natuurlijk een leuk en licht-ironisch gekozen acroniem, omdat het ons doet nadenken over de relativiteit van wat wij hier in het Westen als de morele “norm” beschouwen, maar wat in rest van de wereld mogelijk als abnormaal wordt beschouwd).  Daaruit concludeert hij dat het westerse morele schema sterk individualistisch, en eerder één-dimensioneel is vergeleken bij andere culturen.

In het Westen worden wij – zeker sinds de Verlichting – sterk gedreven worden door een het doorslaggevende belang van de individuele wil, en het streven van het individu naar (materieel) geluk en welbehagen.   Het handelen wordt als “moreel goed” ervaren zolang het individu het handelen “wil” en er geen belangen of vrijheden van een ander individu worden geschaad.  De vrijheid van het individu is eigenlijk virtueel ongelimiteerd, zolang de vrijheid van de naaste niet wordt geschaad, en daarmee heb je eigenlijk de baseline van de moraal in onze liberale democratie samengevat.  In vraagstukken als abortus en euthanasie primeert vaak de beoordeling en de individuele wilsbeschikking van het individu in kwestie.   De bredere impact op maatschappij en gemeeschap van het handelen is van ondergeschikt belang.  Het individu is de maat der dingen geworden.

In andere culturen is moraliteit daarentegen vaak sterk gericht op groep en gemeenschap.  Het belang van de gemeenschap primeert op het belang van het individu en wat indruist tegen deze groepsbelangen wordt als “moreel fout” ervaren.   Bvb. abortus en euthanasie schenden de “heiligheid” van het leven, en kunnen het voortbestaan van de groep bedreigen zijn daarom te vermijden (in de mate van het mogelijke).   Het individuele belang ligt hier in balans, of is zelfs ondergeschikt aan het belang van de gemeenschap.     Door het promoten van “sociocentrische” waarden zoals waarden en normen over hoe men zijn liefdesleven organiseert (bvb. al dan niet trouwen, gedwongen huwelijken), hoe of wat men eet (bvb. geen varkensvlees) of welke kleren men draait (bvb. een keppeltje, hejab of boerkini) wordt de gemeenschap gestructureerd, en kan de groep (zolang de regels gerespecteerd worden) vredevol en succesvol gedijen (iedereen weet wat hem of haar te doen staat en wat er van hem of haar wordt verwacht).

Hoofd vs. hart

Een andere interessante vraag is hoe wij tot meningen en opinies komen.  We leven in het Westen sinds de Verlichting in een “rationalistisch tijdsvak” gebaseerd reeds op de ideeën van Plato dat de staat moet bestuurd worden door rationele en wijze filosofen.   De ratio is de maat der dingen: cogito ergo sum.  Ook de laatste dertig jaar zijn biologen en astronomen zoals  Richard Dawkins en Stephen Hawkins zich meer en meer met ethische en maatschappelijke debatten gaan bemoeien die vroeger uitsluitend tot het territorium van de filosofie en de religie behoorden.  Een zelfverklaard rationeel man als ikzelf had dus een quasi-absoluut geloof in de ratio, en hoe zijn mijn meningen en overtuigingen hebben gevormd in de loop van mijn leven.  In die mate zelfs dat ik geloofde dat tot op een bepaald niveau alle ideologische verschillen irrelevant konden worden, dat men irrationele meningsverschillen kan overtijgen, indien men maar in staat was eerlijk, rationeel en objectief met elkaar te discussiëren.   Na het lezen van dit boek ben ik dit helemaal anders gaan percipiëren !

Haidt gaat op onderzoek en voert experimenten uit die de rationalistische ideeën van Plato confronteren met de boeiende stelling van David Hume (“Reason is the slave of the passions”).  Haidt haalt bij wijze van voorbeeld ook een prachtige liefdesbrief aan van “founding father” Thomas Jefferson aan zijn maîtresse, opgesteld als een dialoog tussen zijn hoofd en zijn hart.

head_heart
Het hoofd én het hart kunnen een weg zijn naar moraliteit, maar zelfs na de morele stellingname speelt het hoofd een rol bij het verantwoorden en beargumenteren van de stelling

Deze confrontatie resulteert in wat Haidt de “rationele waan” noemt.   Wij – nog steeds sterk doordrongen van een rationalistisch, wetenschappelijk en gedemystificeerd maakbaarheidsideaal – denken dat we heer en meester zijn over onze passies, religieuze en spirituele behoeften, en dat we hoofdzakelijk rationele oordelen vellen op basis van logische, objectieve argumenten.  Mensen worden volgens die maakbaarheidsideaal geboren als een “blanco pagina”, die vervolgens in de juiste omstandigheden kan worden geboetseerd tot de ideale mens met de juiste opvoeding in de juiste context.   Dit kan dus fel worden gecontesteerd.

De mens is echter – genetisch, psychologisch en moreel – het product van tienduizenden jaren evolutie, en dat geeft ons een aangeboren moreel kompas, dat niet noodzakelijk voor iedereen (mannen vs. vrouwen, cultuur A vs. cultuur B, … ) gelijk is.    Een inzicht reeds geponeerd door Charles Darwin dat later zelfs tot extreme excessen heeft geleid, waarbij het ene volk genetisch superieur wordt geacht aan het andere).   Bovendien zijn we ten dele onderworpen aan morele intuïties die in onze menselijke geest zijn ingeslepen.   Onze ratio loopt eerder achter de feiten aan, en rest nog slechts wat we eigenlijk intuïtief al beslist hebben te schragen met  argumenten die ons standpunt alsnog een schijn van rationaliteit en betrouwbaarheid moeten bezorgen.

Haidt verzinnebeeldt deze stelling in de metafoor van een olifant en zijn berijder.   Ik heb zelf ooit op een olifant gereden in Thailand en kan ervan meespreken: een olifant baant zich instinctief – “op automatische piloot” – een weg over een onmogelijk onherbergzaam terrein van steile rotsen.  Hij kiest zijn stappen zonder veel rationele overwegingen , en houdt daarbij feilloos zijn zware lichaam, en daarbovenop zijn berijder comfortabel in balans.  De berijder daarentegen rest slechts nauwgezet de keuzes en intuïties van zijn olifant te volgen, maar in functie van zijn vooraf bepaalde doel af en toe lichtjes bij te sturen om op de juiste koers te blijven.   Hij loopt achter de feiten aan, de olifant kiest zijn stappen volautomatisch, en de berijder volgt, en brengt eventuele correcties aan waar nodig .

Zo kunnen we ook kijken naar hoe wij mensen beslissingen nemen.   Wanneer iemand ons een stelling voor de voeten werpt, gaan we instinctief, op basis van tienduizenden jaren van Darwinistische evolutie, en op basis van deels aangeboren, deels aangeleerde morele intuïties, een positie innemen.   Dit gebeurt quasi onmiddellijk, in een fractie van een seconde.   We roepen bvb. “Dat vind ik nu ook!” of eventueel “Daar ben ik het niet mee eens!”.  De olifant zoekt instinctief zijn weg.   Maar dan moeten we ons standpunt beargumenteren, of zelfs “verkopen” aan de groep.   We gaan medestanders zoeken, en andere groepsleden trachten te overtuigen van onze eigen morele intuïties en standpunten, en op dat moment moet de berijder stevig aan de bak: hij moet beargumenteren, stofferen, nuanceren, misschien zelfs de brokken ruimen van een al te impulsieve of explosieve reactie.  De berijder zal verstandelijk redeneren over de argumenten die zijn stelling schragen, en daarmee het standpunt verdedigen t.a.v. de groep.   Dit noemt Haidt het “social intuitionist model”.

social intuitionist
Social intuitionist model: morele oordelen gebeuren instantaan, en overwegend op basis van intuïties, en slechts zelden op basis van rationeel redeneren.  Het overtuigen van anderen in sociale contexten gebeurt dan weer op basis van “post-hoc” redeneringen die de intuïties moeten “beargumenteren” en/of “verkopen” om zo medestanders te zoeken.  Link 4 “sociale overtuiging” is belangrijk, en veel belangrijker dan link 3 “rationele overtuiging” als we anderen willen écht willen beïnvloeden.

Conclusie: we nemen beslissingen zelden op basis van weloverwogen, doordachte, rationele argumenten, maar veeleer op basis van morele intuïties waarvan we als mensen wezenlijk evolutionair en cultureel zijn doordrongen.    Onze hersenen evalueren constant alles wat ze waarnemen, en onze morele intuïties zijn in overgrote mate gebaseerd op deze initiële evaluaties (wat Haidt “affective priming” noemt).   Bij elke “rots” die onze olifant voor de voeten wordt geworpen, leunen we instinctief naar de ene of de andere kant en zetten we onze volgende stap.   Pas dan zal de berijder beslissen of er moet bijgestuurd worden of niet.    M.a.w., “intuitions come first, strategic reasoning second“.

Politieke implicaties

Wat betekent dat nu voor de debatten die we voeren, en de politieke debatten die we zien op TV ?   Als we debatteren, moeten we in de eerste plaats de “olifant” in elk van ons aanspreken (zie ook hoger: het sociale intuïtie model).  De olifant is leidend, en bepaalt hoe dan ook welke richting (standpunt) de gesprekspartner kiest.   Appelleren aan de rationaliteit, objectiviteit of intellectuele eerlijkheid van je gesprekspartners in politieke of ideologische debatten is quasi zinloos.   Appelleer aan de olifant, en zorg dat hij in eerste instantie ‘leunt’ in de richting van jouw standpunt (tenminste, als je je gesprekspartner wil overtuigen).

In het begin van mijn professionele carrière heb ik ooit een “people skills” opleiding gekregen gebaseerd op een beroemd boekje van Dale Carnegie “How to win Friends and Influence People”.   Daarin betoogt Carnegie dat je anderen kan beïnvloeden door directe confrontaties te vermijden, maar door relaties zeker in eerste instantie warm en vriendelijk te bejegenen, met respect en openheid, vooraleer je je eigen standpunten naar voren brengt.   Met een quote van grote Henry Ford: “If there is any one secret of success, it lies in the ability to get the other person’s point of view and see things from that person’s angle as well as from your own.”   Het lijkt zo eenvoudig, maar in de praktijk is het o zo moeilijk, en loopt het keer op keer fout.  Hoe vaak is jouw kerstdis of BBQ als verstoord door zurige discussies vol onbegrip en onuitgesproken frustraties na wat een onschuldig gesprek kan lijken over schijnbaar zo tijdelijke en oppervlakkige politiek?   Tip: besteed meer aandacht aan de olifant van je gesprekspartner en minder aan de berijder, en je zal meer impact hebben en meer succes boeken (in termen van overtuigingskracht).

Wij zijn geobsedeerd door onze reputatie

Een ander belangrijk inzicht spruit voort uit een allegorie uit Plato’s beroemde boek “De Republiek”.   Daarin daagt Glaucon (Plato’s broer) Socrates uit om te bewijzen dat rechtvaardigheid, en niet de reputatie van rechtvaardigheid, mensen gelukkig maakt. Daartoe vraagt Glaucon Socrates wat er zou gebeuren indien de mens kon beschikken over “De ring van Gyges”, een gouden ring die de drager onzichtbaar maakt.   Zal de drager in staat zijn zijn lusten te bedwingen, of zal hij stelen wat hij kan stelen van onschuldige marktkramers, zich vergrijpen aan elke vrouw die hij aantrekkelijk vindt en gevangenen vrijlaten naar zijn goeddunken?  M.a.w. zal hij de verleiding kunnen weerstaan alles te doen wat hem tot een “God onder mensen” maakt indien hij daarvoor niet gestraft kan worden, niet door het besmeuren van zijn reputatie, niet door sociale dwang, regels en wetten?  Uiteraard is Plato – de grondlegger van het rationalisme – de mening toegedaan dat de mens in staat is zijn integriteit ook in deze situatie te bewaren, als en slechts als de ratio de bovenhand houdt op onze passies.   Het verstand moet heer en meester zijn, en de passies moeten daaraan onderworpen zijn, en filosofen zijn daarom de uitverkoren heersers in een rechtvaardige en rechtschapen maatschappij (omdat zij in staat zijn om het verstand aan het roer van hun morele stuurhut te plaatsen).

plato.png
Plato, grondlegger van het rationalisme

Haidt is het hiermee oneens.  Hij gelooft dat de evolutionaire functie van moraliteit niet is de waarheid te achterhalen, maar wel onze positie in onze sociale relaties te bestendigen en versterken door onze reputatie in stand te houden en zodoende medestanders te vinden in de groepen waarbinnen we functioneren.  Dit zien we ook terug op internet en sociale media (zie ook artikel “Ranzig racisme doet Vlaanderen  blozen“): waar geen sociale controle heerst, gaan mensen moreel en ethisch totaal uit de bocht en spuien ze de grootst mogelijke bagger.  Of kijk naar wat er gebeurt indien politici, bedrijfsleiders, werknemers, vakbondsleden of particulieren worden onttrokken aan sociale of democratische controle mechanismen door welke niet-transparante machtsstructuur dan ook: daar liggen de kiemen voor schandalen als Wikileaks, Swissleaks, Agusta, Lewinski, pestschandalen, en frauderende advocaten …  Wanneer mensen zich voor uitspraken of feiten moeten verantwoorden aan de gemeenschap, zal de berijder zijn olifant in de hand houden, corrigeren en nuanceren.   Valt deze sociale controle weg neemt de “Humeiaanse” passie de overhand, en kunnen (zullen?) we ontaarden.   We kunnen het betreuren, maar onze rationele rechtschapenheid dient vooral onze reputatie, maar niet noodzakelijk de waarheid an sich.  We zijn allemaal een beetje schijnheilig.   De mens is niet inherent goed of slecht.  Hij wil gewoon zijn positie in de groep bestendigen en verbeteren (en zo zijn voorplantingskansen verhogen).

Wanneer we kijken naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen die volop zijn losgebarsten nu Clinton en Trump tegenover elkaar in de arena staan ergeren velen zich aan de oppervlakkigheid en het populisme ‘de gevaarlijke demagoog Trump‘, en wordt ingezoomd op de zurige onderbuikgevoelens die leven in zijn electoraat.  Maar als je goed kijkt, en bvb. ook de fel bewierookte speeches van de Obama’s bekijkt op de democratische conventie, dan zie je dat de democraten eigenlijk niets anders doen.   De speeches richten zich voor 90% op intuïtie, emotie en onderbuik gevoelens en 10% of minder gaat over rationele en (pseudo-)objectieve, inhoudelijke argumenten.  Ook de democraten hebben goed begrepen dat ook zij de verkiezingen zullen winnen of verliezen door de onderbuik van de Amerikanen te bespelen, en niet met “bullet lists” van rationele argumenten en verwezenlijkingen.   Kortom, we moeten allemaal  een beetje demagoog zijn indien we de kiezer écht willen raken.   De kiezer valt niet voor de sterkste inhoudelijke argumentatie, maar voor de politicus die zijn olifant het best bespeelt.

Dat leidt ons tot de conclusie dat mensen niet noodzakelijk de politieke stemming aanhangen die standpunten in hun voordeel verdedigt, bvb.  ik ben tegen de luchthaven van Deurne, dus ik zal voor een partij stemmen die tegen de luchthaven van Deurne is. Evenzo zijn mensen zonder ziekteverzekering in de USA niet noodzakelijk vaker voorstander van Obamacare (blijkt uit politicologisch onderzoek).   Hier is iets vreemds aan de hand.   De verklaring is dat mensen geen zuivere individualisten of egoïsten zijn, maar dat we allemaal ook gedeeltelijk een “groepsnatuur” hebben.   Onze beslissingen handen dus niet enkel af van onze individuele motieven, maar ook van de belangen van de kolonie of groep waarin we leven, en die groepen kunnen zeer gelaagd en divers zijn: van de voetbalclub, over de kerkgemeenschap, de regio of het land waarin we leven.   Tot en met natuurlijk de politieke partij of ideologie die we aanhangen!

Om onze positie in die groepen waar we deel van uitmaken te bestendigen en versterken gaan we intuïtief bepaalde beslissingen nemen, en bepaalde standpunten innemen.   Zo kan het individu zich binnen de groep promoveren, maar kan ook de groep als geheel (de kolonie) sterker worden t.o.v. andere groepen, waardoor de evolutionaire kansen van elk groepslid op zichzelf dan weer stijgen.   Dit mechanisme wordt later in het boek omstandig  verder uitgewerkt, maar verklaart ook hoe we op basis van evolutionair bepaalde instincten, deels gebaseerd op onze individuele intuïties maar ook deels gebaseerd op een gelaagd groepsbelang tot bepaalde standpunten komen, en het groepslidmaatschap eerder een vaststaand en in de tijd grotendeels constant gegeven is dat wordt geschraagd met rationele en inhoudelijke argumenten, dan omgekeerd.   Een politieke partij (zoals de Democraten in de USA) functioneert dus als zo’n groep of gemeenschap, en individuen zullen veel of alles doen om zichzelf te promoveren binnen de groep, maar zich desnoods ook opofferen om de groep te promoveren t.o.v. andere groepen (zoals de republikeinen).  Militanten stellen dus niet zozeer de vraag “what’s in it for me?” maar eerder de vraag “what’s in it for my group”.

Wat moeten we hier nu mee?

Zegt Haidt daarmee dat we ons streven naar rationele en onderbouwde analyse van mens & maatschappij dan maar moeten laten varen?   Dat we ons moeten overgeven aan onze passies, en zoals Glaucon en de ring van Gyges maar moeten stelen en verkrachten à volonté?   Neen, maar een belangrijk inzicht is dat we moeten voorzichtig zijn moet onze eigen rationaliteit te overschatten.   Als we bvb. kijken naar de discussie over de euthanasie-wet, dan staat of valt deze wet met het recht op zelfbeschikking, weliswaar 100% uitgaande van het feit dat de mens “wilsbekwaam” is (recentelijk dient zich ook het debat over euthanasie voor wilsonbekwamen aan), d.w.z., in staat is om te beschikken over zichzelf, en in staat om deze cruciale beslissing over leven en dood op ordentelijke en weloverwogen wijze te nemen, op basis van alle argumenten en alle input en gegevens van de behandelende arts, de controlerende arts, zijn familie, …  Maar is dit wel zo?   Zijn we als mensen wel in alle omstandigheden in staat om in balans te zijn met ons zelf en de context waarin we leven, en zijn onze wil en zelfbeschikking wel zo rationeel als we zelf willen geloven?   In politieke, ideologische of religieuze overpeinzingen en discussies is het nuttig te beseffen dat we sterk worden gedreven door onze genetische en culturele bepaaldheid, en onze morele intuïties waar we ons vaak niet bewust van zijn.   Zo kunnen we hier ook bewust mee omgaan, en onze olifant bijsturen waar nodig.

Lees verder in het volgende deel van deze blog: moraliteit verbindt en verblindt.

Advertisements

3 thoughts on ““The righteous mind” (Jonathan Haidt) – Deel 2 – We zijn minder rationeel dan we denken

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s