Vluchtelingencrisis in feiten en cijfers: deel 2 – De conventie van Genève

Elke vreemdeling die in België aankomt, kan asiel aanvragen en de bescherming inroepen van de Belgische overheid. De Belgische staat onderzoekt of de vreemdeling voldoet aan de criteria zoals beschreven in de Conventie van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen.

In de Conventie van Genève luidt de definitie van een vluchteling als volgt:

“Een persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.”

Door deze Conventie te ondertekenen, verplichtte België zich ertoe om vluchtelingen die zich op haar grondgebied bevinden te beschermen. Kandidaat-vluchtelingen (ofwel “asielzoekers”) die erkend worden als vluchteling krijgen een verblijfsvergunning van onbeperkte duur.

In België hebben asielzoekers geen recht op financiële steun, maar wel op opvang, zolang het onderzoek loopt: dit recht op materiële hulp start op het moment dat de asielaanvraag wordt ingediend, tot op het moment dat de asielprocedure wordt afgesloten. De asielzoekers zijn niet verplicht om in de hen toegewezen opvangstructuur te verblijven, ook al doet het merendeel van hen dit wel. De opvang wordt georganiseerd in een open opvangstructuur, beheerd door Fedasil of een van zijn partners.

Sinds 2006 bestaat er – naast het vluchtelingenstatuut – immers het ‘statuut inzake subsidiaire bescherming’. Dit statuut wordt toegekend aan asielzoekers die niet aan de criteria voor het vluchtelingenstatuut voldoen, maar zich niettemin in zo’n situatie bevinden dat terugkeren naar hun land van herkomst een reëel en ernstig risico zou inhouden.

Dit statuut kan jaarlijks worden verlengd, maar na 4 verlengingen wordt het automatisch omgezet in een permanent verblijfsrecht (equivalent aan de rechten die men verkrijgt als vluchteling.   Het resultaat van beide statuten is hetzelfde: de erkende vluchteling of subsidiair beschermde krijgt een volwaardige (al dan niet tijdelijk) verblijfsrecht, en volwaardig recht op huisvesting, sociale voorzieningen, …

Het Vluchtelingenverdrag en de definitie van het begrip vluchteling

De Conventie van Genève ontstond in de nasleep van WO II en de vluchtelingencrisis die deze wereldproblematiek met zich meebracht, in het bijzonder op het Europese continent.  De oorspronkelijke bedoeling van het verdrag was: het definiëren van een aantal basisrechten van vluchtelingen, zoals non-refoulement (niet teruggestuurd worden naar het land van oorsprong waar de persoon in kwestie wordt bedreigd of vervolgd), en het vestigen van bepaalde minimumstandaarden voor hun behandeling die gelijk zijn over alle landen die het verdrag ratificeren.

Het verdrag bepaalt de criteria om als vluchteling verklaard te worden als volgt:

  • zich buiten het land van herkomst bevinden
  • een gegronde vrees voor vervolging hebben
  • omwille van ras, religie, nationaliteit, behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging
  • de bescherming van het land van herkomst niet kunnen of willen inroepen.

Het criterium “gegronde vrees” omvat natuurlijk een subjectief element, dat echter wordt geobjectiveerd door het adjectief “gegronde”.   In principe ligt de bewijslijst voor deze criteria bij de kandidaat-vluchteling, maar in de praktijk is deze natuurlijk gedeeld tussen gastland en kandidaat-vluchteling.    Op de website van Fedasil lezen we dan ook:

“Tijdens een verhoor met een medewerker van het CGVS krijgt de asielzoeker de kans om zijn verhaal te vertellen en de motieven voor zijn aanvraag uit te leggen. Vervolgens onderzoekt het CGVS of de verklaringen met de werkelijkheid overeenstemmen en of ze de asielzoeker toelaten om het vluchtelingenstatuut of subsidiaire bescherming te verkrijgen.”

Het nagaan van situatie en historiek van de asielzoeker in kwestie in het land van oorsprong is natuurlijk een huzarenstukje, aangezien asielzoekers vaak aankomen in het gastland zonder enig document dat hun identiteit of afkomst kan bewijzen.   Zo rezen bvb. sterke twijfels bij de authenticiteit van de asielaanvragen van grote groepen Iraakse mannen uit Bagdad in september 2015.  Een groot deel van hen werd later dan ook weer vrijwillig gerepatrieerd.

Het verdrag sluit ook groepen mensen uit, zoals personen die een ernstig misdrijf hebben gepleegd in het land van herkomst zoals oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid, wat een zekere bescherming biedt in de strijd tegen terrorisme dat zich zou kunnen vermengen met vluchtelingenstromen.    Strikt genomen kan een IS-militant die zich tussen de vluchtelingenstromen mengt en waarvan zware misdaden kunnen worden bewezen worden geweerd van recht op asiel.  Anders gezegd:

“The Convention, when properly applied, does not provide safe haven to criminals. On the contrary, it is carefully framed to exclude persons who committed particularly serious crimes. (…) No unwarranted links should be made between refugees and terrorism, or refugees and crime.”

Vraag blijft natuurlijk hoe deze feiten kunnen worden gecontroleerd, zeker in de beperkte tijd die Dienst Vreemdenlingen Zaken kan besteden aan elke asielaanvraag gezien de hoge werk- en tijdsdruk die op de procedures en diensten wordt gelegd.   Gastlanden lopen hier dan ook een reëel veiligheidsrisico zoals we leerden toen bleek dat minstens één van de terroristen die Parijs schokten met verschrikkelijke aanslagen o.a. op Bataclan via het vluchtelingenkanaal de EU was binnen gekomen.   Er worden momenteel dan ook actief maatregelen genomen om extremisme actief op te sporen in de instromende massa (kandidaat-)vluchtelingen.

Bovendien zijn de uitsluitingscriteria in het verdrag behoorlijk beperkt, en daarom werd recent nog recent aan deze wetgeving gesleuteld.  Sindsdien zijn ook een hele reeks andere misdrijven, met name in het gastland zelf, mogelijke redenen om asiel te weigeren aan een asielzoeker, en kan zelfs het toegekende asielrecht weer ingetrokken worden.

Rechten

Vooreerst waarborgt het verdrag het verbod op “refoulement” (= verbod van uitzetting van (kandidaat-)vluchtelingen die het grondgebied betreden).  Daarenboven legt het ook een verbod op strafsancties voor vluchtelingen die illegaal het grondgebied betreden, op voorwaarde dat zij zich onverwijld bij ‘s lands autoriteiten aanmelden en asiel aanvragen.

Je kan dus stellen dat de kandidaat-vluchtelingen in de kampen in Calais en Duinkerken, ondanks het in gebreke blijven van de Franse regering om hen op een degelijke manier op te vangen, zelf hun rechten ook deels hebben opgegeven door te weigeren zich “onverwijld” te registeren bij de Franse overheid als asielzoekers (omdat zij eigenlijk asiel willen aanvragen in Groot-Britannië).

Het verdrag onderscheidt 3 duurzame oplossingen voor vluchtelingen probleem

  • lokale integratie in gastland
  • vrijwillige repatriëring naar land van herkomst
  • resettlement in derde landen

Er is geen formele hiërarchie tussen de 3 duurzame oplossingen maar historisch ontstond een voorkeur voor lokale integratie omdat de vluchtelingen na WO II van Europese afkomst waren en hun culturele integratie dus relatief eenvoudig was.  Bovendien hielpen ze op dat moment ook handig de naoorlogse arbeidstekorten opvullen in een snel heroplevende economie, en paste de opvang van vluchtelingen uit communistische regimes in volle koude oorlog netjes in de ideologische en strategische doelstellingen van het kapitalisme.

De minimumstandaard voor behandeling van vluchtelingen is dat zij worden behandeld zoals vreemdelingen worden behandeld, met name voor het recht op vereniging en het recht om loonarbeid te verrichten.   Voor andere rechten gelden vaak dezelfde rechten als voor de eigen onderdanen van het land.

Artikelen 23 en 24 van het Vluchtelingenverdrag bepalen dat verdragsstaten er zich toe verbinden regelmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen op dezelfde wijze te behandelen als hun eigen onderdanen inzake de bijstand en ondersteuning van onderheidswege in levensonderhoud en bepaalde aspecten van arbeids- en sociaalzekerheidsrecht.   Daaropvolgende rechtspraak heeft daarentegen vastgelegd dat deze gelijkschakeling slechts kan volgen uit een formele erkenning van het vluchtelingenstatuut van de kandidaat-vluchteling en dus het formeel toekennen van een permanent verblijfsrecht in het gastland.

De meerderheid van de asielzoekers (kandidaat-vluchtelingen) zal echter aan deze laatste voorwaarde niet voldoen, aangezien zij nog niet beschikken over een duurzaam en onvoorwaardelijk regelmatig verblijf als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, en zullen dus juridisch geen beroep kunnen doen op de rechten beschreven in artikel 23 en 24.

Desalniettemin werd de Belgische overheid al een aantal keer veroordeeld voor de gebrekkige opvang van nog niet formeel erkende vluchtelingen, namelijk asielzoekers die niet tijdig geregistreerd konden worden bij de Dienst Vreemdelingen Zaken, en om die reden nog niet konden opgevangen worden in de opvangcentra voor asielzoekers, noch in de daartoe voorzien “pre-opvang” (WTC torens in Brussel) omdat deze op dat moment volzet was.  Deze veroordeling geschiedt dan op basis van Europese Regels, nl. het is op basis van Europese regelgeving dat het Arbeidshof heeft geoordeeld dat België verplicht is ook niet-geregistreerde asielzoekers op te vangen. Als België dat niet doet, handelt het namelijk in strijd met de Europese wetgeving en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat bepaalt dat “niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen”.

Dit incident leidde verder ook nog tot de beschuldiging dat advocaten asielzoekers zouden “ronselen” om procedures te starten op basis van dit principe tegen de Belgische overheid om zo een kwalitatievere pre-opvang af te dwingen.   Wat er ook van zij: de procedures missen hun effect niet, want de betrokken asielzoekers kregen effectief (met voorrang?) een plaats in de pre-opvang, en bovendien zien we ook dat de capaciteit van de pre-opvang nu geregeld wordt aangepast in functie van de instroom van asielzoekers.   De overheid wordt op deze manier dus juridisch “gedwongen” om asielzoekers, dus niet-erkende vluchtelingen die eigenlijk nog geen recht hebben op asiel volgens het Vluchtelingenverdrag, menswaardige opvang te geven (het zogenaamde “bed-bad-brood” principe – er wordt geen financiële steun toegekend aan deze doelgroep om geen aanzuigeffect te creëren).

Tenslotte, vluchtelingen hebben echter niet alleen rechten, maar ook plichten tegenover het land waarin ze zich bevinden. Deze plichten brengen in het bijzonder mee, dat vluchtelingen zich houden zowel aan de wetten en voorschriften als aan de maatregelen, genomen voor de handhaving van de openbare orde.  Ook dit is natuurlijk brandend actueel, met de recente gebeurtenissen in Keulen, die prangende vragen opwerpen, niet alleen over het handhaven van de openbare orde, normen en voorschriften an sich, maar ook over hoe en in welke mate grote groepen vluchtelingen wel op een verantwoorde manier kunnen worden geïntegreerd in onze “cultuur” (positie van de godsdienst in de samenleving, positie van de vrouw, … ) .

Recente evoluties

Sinds de oprichting van het Vluchtelingenverdrag na WO II is het vluchtelingenprobleem en de context van de landen van oorsprong én gastlanden natuurlijk fundamenteel gewijzigd.   Vluchtelingencrisissen breidden zich uit van Europa, over Azië naar Afrika, en recent naar het Midden-Oosten (Afganistan, Irak, Syrië, … ) .

Daarmee verandert ook de identiteit van de bedreiging.  Van helder omlijnde staten zoals Nazi-Duitsland of de Sovjetunie, evolueren bedreigingen naar ongedefinieerde rebellerende groepen, of schimmige terroristische organisaties zoals Al Quaida of Islamitische Staat.

De slachtoffers zijn vaak de allerzwaksten : vrouwen en kinderen.  Zij verplaatsen zich intern binnen het land in kwestie (en zijn dus strikt genomen geen Vluchtelingen, omdat ze geen grens overgestoken hebben), of vinden vaak bescherming in omliggende ontwikkelingslanden, die vaak even arm zijn als het land van oorsprong zelf.  Slechts een minderheid (wat toch nog een aanzienlijk aantal kan zijn, uiteraard), slaagt erin de oversteek te maken van het “Zuiden” en het “Oosten” naar het “Westen”, de geïndustrialiseerde wereld.

Tussen de échte slachtoffers van geweld en vervolging mengen zich bovendien ook “economische vluchtelingen” uit andere landen waar zij niet echt worden bedreigd of vervolgd, maar van waaruit zij wegtrekken op zoek naar een beter leven.  Deze “gelukzoekers” trachten gebruik/misbruik te maken van het internationaal erkende statuut voor oorlogsvluchtelingen, vertroebelen het voorheen duidelijke en welomlijnde karakter van een Vluchteling, en maken asielprocedures onnodig duur, waardoor overheden restrictiever worden in hun asielcriteria (waar échte vluchtelingen op de vlucht voor oorlog en vervolging dan weer het slachtoffer van worden).

Race to the bottom

Westerse overheden hebben gereageerd op deze evoluties door een restrictievere interpretatie van het Vluchtelingenverdrag (bvb. gegoten in EU richtlijnen) en anderzijds een politiek van ontmoediging door het opwerpen van barrières voor immigratie.

Zo werd ten tijde van de Balkan-oorlog bvb. het principe ingevoerd van “susbidiaire bescherming”, zoals hiervoor reeds besproken, een “tijdelijk vluchtelingenstatuut” dat jaarlijks vernieuwd kon worden tot een maximale duur van 5 jaar, om dan bij een persisterende dreiging of vervolging eventueel finaal over te gaan in een permanent en volwaardig verblijf.   Het recente standpunt van SPA voor een tijdelijke erkenning als vluchteling kan als een variant hierop beschouwd worden.

Er zijn nog heel wat andere ontmoedigende maatregelen genomen door heel wat overheden:

  • visa verplichtingen voor landen waaruit veel vluchtelingen (willen) vertrekken
  • boetes voor luchtvaartmaatschappijen die kandidaat-vluchtelingen vervoeren
  • fysieke barrières zoals hekken (Zuid-Spanje, Hongarije, Macedonië, … )
  • gemeenschappelijke EU grensbewaking (“Frontex”) die patrouilleert lands EU kusten en vluchtelingen onderschept
  • Turkije dat op vraag van en met geld van Europa, en zelfs in ruil voor onderhandlingen met Turkije over eventuele toetreding tot de EU, vluchtelingen onderschept voor zijn eigen kusten en terughaalt naar Turkije.

Een ander belangrijk concept in de opvang van vluchtelingen is de idee van “het veilige derde land”.  Dat betekent dat wanneer vluchtelingen doorreizen van het land van oorsprong (waar ze bedreigd worden) naar het gastland, maar onderweg andere landen doorkruisen die het Vluchtelingenverdrag geratificeerd hebben, het gastland hen kan terugsturen naar dat “veilige derde land”, ook wel “country of first asylum” genoemd.

Dit principe werd bvb. ingeroepen om te stellen dat vluchtelingen die vanuit Syrië via Turkije naar Europa reizen (via welke route dan ook) moeten worden teruggestuurd naar Turkije (omdat ze daar niet bedreigd worden in de zin van de definitie van de vluchteling in het vluchtelingenverdrag.  Toepast op de EU is deze idee overigens omgezet in de Dublin-verordening.   Deze stelt dat kandidaat-vluchtelingen asiel moeten aanvragen in het eerste EU land waarvan ze het grondgebied betreden.  Anders gesteld: vluchtelingen hebben recht op asiel in het eerste veilige land op hun route, maar hebben geen vrije keuze om asiel aan te vragen in het – voor hen – meest aantrekkelijke land (voor velen is dat vandaag bvb. het Duitsland van Angela Merkel).

Het gevolg is dat de buurlanden van probleemlanden (bvb. Turkije of Libanon), of landen aan de buitengrenzen van de EU met lange kustlijnen die blootgesteld zijn aan grote hoeveelheden vluchtelingen die hen direct weten te bereiken (bvb. Griekenland of Italië) met een gigantische verantwoordelijkheid en last worden opgezadeld, terwijl verre, veilig ingekapselde landen als België of Groot-Brittanië “veilig” zijn achter een “cordon” van veilige derde landen.

Dit is ook de reden dat het EU beleid voorziet in het oprichten van “hot spots” aan de buitengrenzen van Europa enerzijds (bvb. Griekenland, Italië, … ) met een verplichte spreiding van de geregistreerde asielzoekers vanuit deze hot spots via EU quota systemen, en anderzijds voor lokale opvang in de regio van oorsprong (de landen rond bvb. Syrië of Irak, zoals Turkije, Libanon, … ) .  Deze hot spots en lokale opvang kampen zouden dan ook deels gefinancieerd worden door Europa, om zo toch tot een billijke verdeling van de “lasten” te komen (cfr. ook de onderhandelingen die Merkel zelf met Erdogan voerde op het hoogtepunt van de asielcrisis, met o.a. veel Europees geld en nieuwe stappen tot EU lidmaatschap voor Turkije als pasmunt) .

Vandaag al reageren landen op de vluchtelingenproblematiek door zelfs hun grenzen te sluiten.  Tot recent was deze drastische maatregel vooral voorbehouden aan ontwikkelingslanden die het Vluchtelingenverdrag niet respecteren, maar recent hebben we natuurlijk ook gezien dat in Europa zelfs het Schengen-verdrag tijdelijk werd opgezet om opnieuw grenscontroles te doen (en op die manier de instoom te beperken).  Oostenrijk, Hongarije, Duitsland, Zweden, … hebben allemaal al (tijdelijk) grenscontroles ingevoerd om de instroom van asielzoekers in te perken.

De geïndustrialiseerde landen hebben dus op de nieuwe vluchtelingenproblematiek gereageerd door het vluchtelingenverdrag almaar strenger en creatiever toe te passen. Door de definitie van vluchteling, en de rechten waarop zij aanspraak maken, enger te interpreteren, willen zij de keuze van bestemming van vluchtelingen beïnvloeden. Het resultaat is een neerwaartse spiraal van bescherming naar de kleinste gemeenschappelijke noemer toe, en een falen om de aanspraken van personen te erkennen die recht hebben op internationale bescherming.  Deze “race to the bottom” is vandaag overduidelijk aanwezig binnen de EU, en riskeert finaal leiden tot belangrijke breuken in de verstandhoudingen binnen de EU.

De enige manier om dit te voorkomen is dus effectief een gezamenlijke Europese aanpak van bewaking van de buitengrenzen, registratie van asielzoekers in hot spots (gefinancieerd uit EU middelen) aan de buitengrenzen van de EU, en een verplicht spreidingsplan met quota voor een billijke spreiding de erkende vluchtelingen over de hele EU.

Referenties

Fedasil België

Myria dossier vluchtelingencrisis 2015

Vijftig jaar Verdrag van Geneve: een stand van zaken

Caritas – Begeleiding op maat: sleutel tot succesvolle integratie

Duitsland ontving 1,1 miljoen asielzoekers in 2015

Zweden ontving de laatste maanden 26000 onbegeleide minderjarigen

Advertisements

One thought on “Vluchtelingencrisis in feiten en cijfers: deel 2 – De conventie van Genève

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s